|
|
Zonnecollectoren
worden beveiligd tegen oververhitting en bevriezing
In de primaire
kringloop circuleert de warmtetransporterende vloeistof tussen de zonnecollector
en de warmtewisselaar van de warmteopslag. De vloeistof neemt warmte op in de zonnecollector
en geeft die af aan de warmteopslag, daarna keert ze terug naar de zonnecollector
om zich weer op te laden. Om warmteverliezen via het buizenstelsel te beperken,
is de primaire kringloop best zo kort mogelijk en goed geïsoleerd. Meestal
zorgt een circulatiepomp voor het rondpompen van de warmtetransporterende
vloeistof in de primaire kringloop. Het regelsysteem zorgt ervoor dat de
opgeslagen warmte niet opnieuw verloren gaat wanneer de zon niet schijnt. Het
beschermt eveneens tegen bevriezing en oververhitting. Bij geïntegreerde zonnezonnecollectoren
zijn een pomp, een elektronische regeling en een elektrische aansluiting niet nodig
Systemen met
glycolvulling
’s Nachts bij
open hemel is de temperatuur in de zonnecollector heel wat lager dan de
buitentemperatuur. Om bevriezing van de zonnecollectorvloeistof te voorkomen,
vult men de zonnecollector met een niet-giftig mengsel (bijv. propyleenglycol
in water, met additieven ter voorkoming van corrosie). Deze vloeistof biedt vorstbescherming
tot -27 °C en is bestand tegen hoge temperaturen. Vanwege de giftigheid mag men
zeker niet experimenteren met glycol die gebruikt wordt voor auto’s. De
circulatiepomp draait alleen als de temperatuur in de zonnecollector minstens
enkele graden hoger is dan in het voorraadvat. Steeds meer
worden pompen met variabel toerental toegepast, om het systeemrendement te
verhogen en om elektrische energie te besparen. Onder gewone omstandigheden,
als regelmatig warm water wordt afgenomen, blijft de temperatuur in het
voorraadvat beneden 80 °C, en volstaat het expansievat om de thermische uitzetting
in de zonnecollectorkringloop op te vangen.
Terugloopsystemen
Bij het
uitschakelen van de pomp stroomt de zonnecollectorvloeistof in een
terugloopreservoir. Omdat de zonnecollector op dat ogenblik leeg is en het
terugloopreservoir in het gebouw staat, kan de zonnecollectorvloeistof niet
bevriezen. Hier kan dus gewoon water als zonnecollectorvloeistof gebruikt
worden. Als er weer voldoende zon is en de pomp start, wordt het water uit het
terugloopreservoir opnieuw omhoog gepompt tot in de zonnecollector. Bij deze
systemen is het belangrijk dat de zonnecollector hoger geplaatst wordt dan het
terugloopreservoir. De leidingen moeten
zorgvuldig hellend worden opgesteld zodat ze kunnen leeglopen. Bij een
terugloopsysteem kan het voorraadvat zeer eenvoudig beveiligd worden tegen
oververhitting. Bij 99° C in de zonnecollector of bij 85° C in het voorraadvat
wordt de pomp uitgeschakeld. De zonnecollector, die op dat moment alleen met lucht
gevuld is, kan dan zeer warm worden, maar is hiertegen bestand.
Natuurlijke
circulatie
Bij systemen met
natuurlijke circulatie zijn een pomp, een elektronische regeling en een
elektrische aansluiting niet nodig. Natuurlijke circulatie ontstaat doordat
vloeistoffen uitzetten bij opwarming. Circulatie komt tot stand zodra de
vloeistof in de zonnecollector warmer wordt dan in het voorraadvat. Om bevriezing
te voorkomen, wordt de zonnecollector gevuld met glycol. Het voorraadvat moet
boven de zonnecollector worden geplaatst, bijvoorbeeld in de nok van het dak.
Dat is ruimtebesparend, maar de afstand tot de watergebruikers kan soms groter worden.
Bij toepassing op een plat dak moeten de aan- en afvoerleiding tegen bevriezing
beschermd worden. Een degelijke leidingisolatie is een minimale vereiste,
eventueel moet een elektrische tracing worden toegepast. Een variant op
natuurlijke circulatie is het heatpipesysteem. Dit systeem laat ook toe om op
een zeer eenvoudige maar efficiënte wijze te beveiligen tegen oververhitting en
bevriezing.
© 2007 |